Het eerste wat ik hoorde was een stem in mijn hoofd. Het eerste dat ik zag…
was mijzelf in een ziekenhuisbed.
Het stemmetje zei een aantal onplezierige woorden.
Onplezierige woorden die me vandaag de dag nog steeds blijven spoken.
In mijn hoofd was de stem er, maar als ik mijn lippen bewoog, kwam er geen geluid.
Hoe vaak ik het ook probeerde. Mijn handen deden nu mijn spreken.
Elk eerste woordje dat ik leerde kwam met een G-klank. Het viel mij op dat mensen die voor de tweede keer leren praten een onbewuste G-klank gebruiken.
De meesten van ons worden geboren met de gave om te spreken. Maar zelden staan we erbij stil… tot je die gave verliest.
Waar spreken vanzelfsprekend leek, staat het nu op spaarstand.
Waar woorden ooit als een waterval stroomden, is het nu een waterput.
Wanneer woorden eerst door vlees moeten, voor ze lucht worden…
Eerst door processen moeten, voor ze trillingen worden…
En wanneer dit allemaal moeizamer gaat,
besef je dat spreken niet vanzelfsprekend is.
Ik dacht dat anderen me buitensloten, maar ik was degene die mij buitensloot.
Ik wilde mijn mond openen om wat te zeggen, alleen de tijd die het nam was net iets te lang.
Ik was gevangen in mijn eigen gedachten. Gevangen in mijn eigen keel.
Niet wetende hoe ik mezelf eruit moest praten. Want alleen ik kon die deur van binnen openen.
Jarenlang dacht ik dat ik niet sprak, maar ik sprak wel. En ik spreek het nog steeds.
Ik spreek de taal van de stilte, en ik spreek het vloeiend.
Mijn hart beefde elke keer als ik werd aangewezen om een stuk voor te lezen.
Van de ene naar de andere rij. De eerste tafel naar de tweede. En met elk opvolgende leerling sloeg mijn lichaam op hol, werd mijn middenrif steeds stijver en versteenden mijn longen van angst.
Het deed pijn om dat gevoel steeds weer te moeten temmen.
Pijn, omdat het nooit lukte.
Pijn, om mezelf te horen. Maar vooral pijnlijk, omdat ik er alleen voor stond.
Hoe kon je ook verwachten van dat kleine meisje herstellende van een beroerte dat ze zomaar meedeed met de rest?
Alsof ik wist wat ik deed, probeerde ik mijn ademhaling te kalmeren. Alsof ik mijn eigen therapeut was, probeerde ik een adem te vangen die mijn borstkas probeerde te ontvluchten. Een adem zo angstig, dat het me in de steek liet, elke keer weer… middenin een zin. Het was vast heel grappig geweest voor de rest die haar heeft uitgelachen.
Waar ik meer energie steek in elke zin, meer bezig ben met microcoördinatie en sneller moe ben. Staat mijn spraak dus ingesteld op zuinigheid.
Ja, ik ben vaker stil. Maar niet zozeer als psychologisch trucje.
Nee, als neurofysiologisch verschijnsel.
Ik ben vaker stil, want ik vind het lelijk hoe ik soms klink. Ik vind het lelijk hoe zacht mijn stemvolume kan zijn en hoe hees ik kan klinken. Ik vind het lelijk hoe mijn stem klinkt door een versterker en hoe het te zacht is om gehoord te worden op opnames.
Ik vind het lelijk.
Ik kon de woorden die ik op een dag uitsprak wel op mijn vingers tellen. Zo weinig dat het was. Zo weinig dat ik sprak. ‘Kan ze wel praten?’ vroeg men zich af. Ik kon wel praten; ik was alleen een stille oorlog aan het voeren met mijn brein.
Ik kies sneller voor stilte dan voor ruis. Niet omdat ik bang ben, maar omdat mijn hersenen weten dat praten meer kosten heeft. Of misschien ben ik wel bang. Bang om niet gehoord te worden. Bang om tegen de muur te praten. Bang om onzichtbaar te zijn, zoals ik destijds was.
Maar misschien is het precies dat wat mijn spreken verfijnt. De manier waarop ik woorden serieus neem, waarop ik klank serieus neem en waarop ik geleerd heb niet bang te zijn voor stilte. De manier waarop ik kan horen, wat je anders niet zou kunnen horen. En de manier waarop men goed kan volgen wat ik zeg nadat het in mijn eigen hoofd eerst perfect moet kloppen.
Ik zeg liever niets dan het onnodige, gewoon omdat dat te veel is.
Ik zie spreken als een verantwoordelijkheid,
en verantwoordelijkheid is het enige waarvoor ik spreek.
Ik geloof dat woorden impact hebben, want ik heb het gevoeld en voel het elke keer weer.
Mijn spraakmotoriek werd een discipline, een leraar, maar ook een vuurproef.
Elke klank moet kloppen, want het is te kostbaar om dat niet te doen.
Dat is mijn ethos, dat is mijn neurologische realiteit.
Reactie plaatsen
Reacties